Geschiedenis

Hieronder volgt een geschiedenis van het beroep psychotherapeut sinds haar formele erkenning in Nederland in 1986, de veranderingen die sindsdien voorgesteld zijn, geblokkeerd zijn, of ook doorgevoerd zijn, en hoe de BvP zich tot dit alles verhoudt en verhouden heeft.

1986

Formele erkenning van het beroep psychotherapeut. Psychische klachten mochten (officieel) alleen behandeld worden door psychotherapeuten, niet door psychologen. Dat wil zeggen, alleen het doorlopen van de vierjarige opleiding tot psychotherapeut gaf deze officiële bevoegdheid, niet de opleiding tot psycholoog.

Waar aanvankelijk het beroep van (en de opleiding tot) psychotherapeut was voorbehouden aan artsen, werd de opleiding steeds meer opengesteld voor anders-opgeleiden, zoals psychologen, maatschappelijk werkers en andragogen. 

Het Nederlands Instituut van Psychologen hanteerde destijds het beleid dat alleen de vooropleiding als psychotherapeut toegang gaf tot de registratie als klinisch psycholoog (niet te verwarren met de huidige KP-registratie). Daarbij eiste het NIP van hun psychologen een extra diagnostische aantekening. De psycholoog ging zich profileren met diagnostiek, gebaseerd op psychologisch wetenschappelijk onderzoek.

1998

Inwerkingtreding van de wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) en erkenning in die wet van zowel de psychotherapeut als het nieuwe beroep van GZ-psycholoog, beide als basisberoep (artikel 3).

In deze wet kwam ruimte voor een specialistisch beroep (artikel 14) bovenop de twee basisberoepen, maar dit specialisme werd nog niet ingevuld. 

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet BIG had het NIP voorgesteld om aan de vierjarige opleiding tot psychotherapeut, twee jaar diagnostische specialisatie toe te voegen. Hierdoor zou de psycholoog hoger (want langer) opgeleid zijn dan de psychotherapeut en de specialistenstatus verwerven. Voor dit idee was geen steun in het werkveld. Dit is het moment waarop de GZ-psycholoog in het leven werd geroepen: een nieuw beroep voor psychologen, dat toegang gaf tot artikel 3, zonder opleiding tot psychotherapeut en met een eigen profiel, namelijk dat van diagnosticus.

NB Psychotherapeuten die dit wilden, kregen in 1998 zonder bijkomende scholingseisen de registratie als GZ-psycholoog, mits zij psychologie als vooropleiding hadden.

2000 – 2003

Oprichting van de Belangenvereniging van Psychotherapeuten (BvP). Minister Borst van Volksgezondheid wilde het beroep psychotherapeut opheffen. Te veel verschillende disciplines zouden het vak psychotherapie beoefenen, terwijl de taken van de psychotherapeut samen zouden vallen met die van de ‘gespecialiseerde psychologen’ (Trouw, 1999). Een grote groep van 1500 psychotherapeuten zonder vooropleiding psychologie, vreesden voor hun broodwinning. De BvP verenigde een groot deel van deze groep en kondigde schadeclaims vanuit de beroepsgroep aan. Het plan werd mede hierdoor uiteindelijk ingetrokken door minister Hoogervorst in 2005 (zie zijn brief aan de Tweede Kamer in documenten).

2005

Formele erkenning van het beroep van klinisch psycholoog als specialist (artikel 14).

Waar de psychotherapeuten verzuimden om de specialistische status van hun beroep en opleiding te verzilveren in het nieuw te vormen specialisme, creëerden de psychologen bovenop de GZ-opleiding een nieuwe opleiding tot klinisch psycholoog. Deze opleiding overlapte grotendeels met de opleiding tot psychotherapeut, afgezien van de onderdelen management en wetenschappelijk onderzoek.

In de onderhandelingen over het plan van minister Borst om het register psychotherapeut op te heffen, deed minister Hoogervorst rond deze tijd het voorstel om het nog in te stellen specialisme klinisch-psycholoog te erkennen, op voorwaarde dat álle psychotherapeuten (ook die zonder vooropleiding psychologie) daar met een soepele overgangsregeling in zouden kunnen instromen. Dit voorstel werd afgeschoten door het NIP. Het NIP wilde opnieuw psychotherapeuten zonder vooropleiding psychologie uitsluiten. De minister besloot toen alles bij het oude te laten en het beroep psychotherapeut te laten bestaan. In zijn brief aan de Tweede Kamer gaf hij hiervoor verschillende redenen, waaronder de hoge kosten en de juridische haalbaarheid van het schrappen van de psychotherapeut. Bovenal was het hem te doen om het behoud van voldoende psychotherapie-aanbod vanuit een verscheidenheid aan aanbieders. Daarbij stelde hij: “Gezien de schaarste aan psychiaters acht ik het wenselijk dat bij wijze van taakdifferentiatie de uitvoering van psychotherapie – waar mogelijk – overgelaten kan worden aan klinisch psychologen en psychotherapeuten.”

NB Psychotherapeuten met vooropleiding psychologie én de registratie als GZ-psycholoog, mochten in 2005 zonder bijkomende scholing instromen in het register van klinisch psycholoog. Op dat moment gold voor 80% van de klinisch psychologen dat zij hun registratie kregen zonder extra opleiding.

2012

De Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP) maakt eigen plannen om het beroep psychotherapeut te sluiten voor alle psychotherapeuten zonder vooropleiding psychologie. Dit is in lijn met wat zij in 1999 reeds in dagblad Trouw lieten optekenen: “Een verdere zuivering van de beroepsgroep is slechts een kwestie van tijd.” (Trouw, 1999). De BvP wordt opnieuw actief en weet de plannen opnieuw tegen te houden.

Ook bij de discussie over het hoofdbehandelaarschap, die in de daaropvolgende jaren volgde en waarbij psychotherapeuten (samen met andere professionals) hun bevoegdheid dreigden te verliezen om eindverantwoordelijkheid te dragen voor hun behandelingen, zette de BvP zich in om deze uitholling van het beroep te voorkomen. In 2015 kwam de commissie Meurs met een nieuw advies over de hoofdbehandelaar (vanaf dat moment regiebehandelaar genoemd). De psychotherapeut behield de bevoegdheid om regie te voeren over complexe behandelingen in de specialistische GGZ.

2019

Samenstelling van de stuurgroep die met een advies moest komen voor een verandering van de beroepenstructuur in de GGZ. In 2020 komt deze stuurgroep met het rapport ‘Een vernieuwde structuur voor de academische beroepen in de psychologische zorg’. Hierin pleiten zij opnieuw voor het verdwijnen van de psychotherapeut; dat wil zeggen, volledige assimilatie van het beroep in het specialisme klinisch psycholoog.